De moderne leerling

Dagelijks vertrekken mijn beide zonen richting VO; de tassen goed gevuld (hopelijk het hoofd ook) beklimmen zij hun tweewieler om zwoegend in weer en wind zich te verplaatsen naar school. Dè plek om hun dagelijkse portie kennis tot zich te nemen.

Schooltas uit de jaren ’70 van de twintigste eeuw


Een belangrijk verschil met de tijd dat ik het genoegen van schoolbezoek mocht smaken is de inhoud van de tas. In mijn tijd liepen wij met een pukkel (zo, kun je meteen mijn leeftijd inschatten), waarin zich boeken en schrijfspullen bevonden. De hoeveelheid werkboeken was nog zeer gering, waarschijnlijk vanwege de kosten. Bovendien ontbrak  elke vorm van digitaal gereedschap. Het bestond eenvoudig niet en het maakte onze schooltijd tot een rustig voortkabbelen, van huiswerk naar repetitie. Pas later in mijn schooljaren deed de term schoolonderzoek zijn intrede.
Nee, dan vandaag. De een sjouwt een chromebook en een telefoon, de ander zit niet in een pilotgroep en kan dus slechts voorzien van mobiel naar school. Overhoring, repetitie, toets: allemaal manieren om de kennis te toetsen.

Goed, terug naar het voortploeteren van mijn zonen. Morgen begint mijn werkweek en ook die van hen, hoewel je daar vraagtekens bij kunt zetten. Zo vang ik aan tussen acht en half negen, de oudste zoon is vanwege toetsweken continue pas een uur of elf op locatie en de jongste start tegen tienen. Tegen de tijd dat ik aanstalten maak  huiswaarts te keren zijn beiden allang weer thuis: tijd zat om zich te bezatten aan hun digitale middelen.

‘Waarom moet ik dit eigenlijk leren?’ Het kan zo maar gebeuren dat ik, net verdiept in het voorbereiden van een doorwrocht document, word geconfronteerd met zo’n vraag. Het gaat dan over de inhoud van een les aardrijkskunde over ‘Vuurland in herfsttinten’, of over een geschiedenisonderwerp als ‘Waarom de Neanderthaler het zonder auto deed’ en meer zulke topics.

Toevallig is deze levensvraag ook het onderwerp waarmee staatssecretaris Sander Dekker het volk opriep een bijdrage te leveren aan het antwoord op de vraag: ‘Wat moeten onze kinderen leren?” Immers: als zij straks starten aan hun werkzame leven moeten ze wel wat kunnen….
Raar maar waar: als de politici-van-nu zo’n vraag stellen moet je opletten (oké, dat is dan iets wat je op school wèl moet leren); politici denken namelijk bijna altijd in termen van ‘wat levert het op’, alsof ze geld verdienen met het antwoord…. Je gaat naar school om te leren, je moet er zo snel mogelijk doorheen wordeducation-not-for-saleen gefietst (zitten blijven kost geld), een studiebeurs bestaat niet meer en je moet zo lang mogelijk doorleren. Maar het mag niets kosten…!

‘Waarom moet ik dit eigenlijk leren?’ Tsja, zeg ik dan, bedenk eens wat…. Wat zou je er aan kunnen hebben? Stiekem denk ik dan wel eens terug aan mijn lagere-school-tijd, waarin men mij bijbracht dat Australiërs hun centjes verdienden met het wegscheren van schapewol (zoals je het toen nog schreef); dat was hun middel-van-bestaan. Wel, er lopen nog wel wat van die beesten rond, daar down-under, maar ze leven er met elkaar bepaald niet meer van. Dat is mijn levensles…

Dus eh… laat die zonen van mij zich dit existentiële vragen maar afvragen. En als ze dat dan zesjes-cultuur willen noemen, dan moet dat maar…..

Dit bericht is geplaatst in Kattenklets, Levenslessen, Muizenissen. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *