Piskijker 4

Waar in de eerdere delen van het onderzoek naar de plasnorm is gekeken naar effecten op onderwijstijd, duurzaam gebruik en aansluiting bij nieuw uit te werken onderwijsconcepten m.b.t. onderzoekend en ontdekkend leren, wil ik vandaag de effecten op de werkgelegenheid nader aan de orde stellen.
In de voorgaande delen is gebleken dat de plasnorm (1 keer plassen per twee uur) een enorme impact heeft op de beschikbare onderwijstijd. Per leerling kost het gedurende 8 schooljaren maar liefst 107 uren aan toiletbezoek (uitgaande van 1 leerling, die per dag 1 maal het toilet bezoekt tijdens lestijd; de lezer bedenkt dat er uitschieters naar boven en beneden zullen zijn). 107 uren onderwijstijd is omgerekend ruim gerekend 5 weken op een volledige schoolloopbaan in het basisonderwijs. Houden we ook rekening met afleiding door plasdrang, wachttijd op toestemming en wachttijden bij de toiletten en het opruimen van de zogenaamde ‘ongelukjes’, dan kunnen we gevoeglijk stellen dat zes tot zeven weken in onderwijstijd op een volledige schoolloopbaan PO geen vreemde veronderstelling is.
Gevoeglijk kunnen we aannemen dat zes weken extra onderwijstijd een hoger onderwijsrendement op zal leveren. Zes weken extra onderwijstijd per leerling!
Nu we hebben vastgesteld dat:

  1. er een ruim verlies aan onderwijstijd is met een negatief rendementsgevolg
  2. Zes weken extra onderwijstijd niet te realiseren is zonder de inzet van meer personeel.Vergroening van de school, met name die van verantwoord urinegebruik in het kader van de plaknorm kan niet zonder te investeren in personeel.

Ik wil op deze plaats dan ook een poging doen om werkgelegenheidseffecten zichtbaar te maken, en daarbij ook kijken naar de onderwijscao PO 2014 en de Wet Werk en Zekerheid, die in 2015 zal ingaan.
In de cao 2014 is vastgesteld dat een reguliere werkweek voor een fulltime leraar basisonderwijs een maximum van 40 uren kent. Binnen die 40 uren (dat is een beperking op de urenomvang uit het verleden) is het, gezien de bestaande werkdruk, niet mogelijk tijd vrij te maken voor de begeleiding in het kader van de plasnorm. Er zal dus extra personeel moeten worden aangetrokken. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs onderwijzend personeel te zijn, immers zijn de uurlonen daarvoor te hoog. Daarnaast past dit soort begeleiding ook niet in de functie-omschrijving van leraren basisonderwijs of onderwijsassistenten basisonderwijs.
Ik stel me daarom voor dat er een nieuwe functie wordt toegevoegd binnen het functie-bouwwerk basisonderwijs, namelijk de plasbegeleider. Wellicht niet de ideale benaming voor de functie, maar wat creatief denken kan ook benamingen opleveren als urinoir assistent, toiletteur of dergelijke. Ik zou er voor willen pleiten de term toiletjuffrouw binnen de school te vermijden, vanwege het feit dat de term juffrouw in dit kader verkeerde veronderstellingen oproept.
Een van de taken die binnen de functie moet vallen is het begeleiden in verkorting van verlies van onderwijstijd. Leerlingen en ouders moeten zich bewust worden van de gevolgen van de plasnorm op leertijd en -rendement. Van ouders mag verwacht worden dat zij in de opvoeding tijd besteden aan ‘de snelle plas’, en ook stimuleren dat hun kinderen een beschaafde omgang met de urinoir assistent ontwikkelt.

Maar: we moeten breder naar dit vraagstuk kijken. Immers: in het kader van ‘de duurzame school’ is ook gekeken naar warme urine als verwarmingsbron voor de school. Een dergelijke ontwikkeling gaat niet vanzelf. Er is op het optimaliseren van rendement (besparing fossiele brandstoffen) en klimaat binnen en buiten de school flinke winst te boeken. Het zou daarom aan te bevelen zijn voor elke onderwijsstichting een faecaal manager aan te trekken die beleid ontwikkelt en voorstellen doet tot:

– de gewenste en/of noodzakelijke aanpassing van gebouwen
– een doorrekening in het zo optimaal inzetten van urinegebruik in relatie tot duurzaamheid en onderwijsrendement.

Een dergelijk manager zou ook bij in het gang zetten van het duurzamiseren van de school moeten denken aan:
– bouwbegeleiding en het doen van voorstellen voor gebouwaanpassingen
– informeren van leraren, ouders en leerlingen
– begeleiden van directeuren en urinoir assistenten
– het ontwikkelen van instrumenten die rendement en effecten zichtbaar maken in beeld en geluid.

Concluderend: als we in Nederland uitgaan van 1.139.000 leerlingen in het basisonderwijs, verdeeld over een gemiddelde klassengrootte van 25 leerlingen (= 55.600 klassen), dan is het logisch te veronderstellen dat er fors geïnvesteerd moet worden in urinoir-assistenten. Daarnaast ontstaat er een ruime hoeveelheid werkplekken voor faecaal managers. Investeren in opleidingen voor beide beroepsgroepen, investeringen in de verbouw van bestaande scholen (en dus in werkgelegenheid in de bouw) kunnen een flinke stimulans geven aan de werkgelegenheid binnen het basisonderwijs., mits, en dat is essentieel, de overheid serieus werk wil maken van duurzamisering van het basisonderwijs.

Dit bericht is geplaatst in Duurzaam, Onderwijs. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *